Indirecte maatregelen gericht op natuurlijke plaagonderdrukking


Directe beheermaatregelen zoals hiervoor beschreven hebben een positieve impact op de korte termijn, maar zijn geen duurzame oplossing voor de langere termijn.

Indirecte maatregelen, gericht op natuurlijke plaagbestrijding, werken op de lange termijn en zijn daarom in principe duurzamer. Ze zijn niet gericht op het uitroeien van de soort, maar op het beperken van de aantallen en overlast. Het LIFE-project Eikenprocessierupsen heeft aangetoond dat deze methoden veel positiever scoren op de impact op biodiversiteit, hoewel de effectiviteit voor rupsenbestrijding lager is.

De meest duurzame manier om dat te bereiken is de leefomgeving onaantrekkelijk te maken voor de eikenprocessierups door meer mogelijkheden te voorzien voor hun natuurlijke vijanden – zoals vermeld in hoofdstuk 2.1.5 ‘Natuurlijke vijanden’, vooral insectenetende vogels, vleermuizen, sluipvliegen en -wespen en roofkevers als de grote poppenrover.

Predatie en parasitering op de eikenprocessierups stimuleren kan door (een combinatie van) verschillende maatregelen. In de volgende hoofdstukken worden deze maatregelen besproken.

Omgeving


Methode Periode Doel Verwachte impact Andere voordelen Nadelen/Aandachtspunten
Aangepast maaibeheer Mei–september Betere overleving insecten
Aantrekken insecten en vogels
Beperkt Biodiversiteit
Bewustwording
Educatief aspect
Werklast
Klimop Jaarrond Biotoop voor EPR minder geschikt maken Positief Aantrekken andere insecten en vogels
Voedselbron/stuifmeelbron voor insecten in periode van laag voedselaanbod
Beschutting
Veiligheid
Omvorming bomenbestand Jaarrond Biotoop voor EPR minder geschikt maken Positief Plaagonderdrukking algemeen
Biodiversiteit
Grote impact
Zeer lange termijn
Bewustwording

Aangepast maai- en snoeibeheer

De Nederlandse ‘Leidraad Beheersing Eikenprocessierups’ geeft aan dat een natuurlijke vegetatie in bermen kansen biedt aan tal van natuurlijke vijanden die de plaagvorming van de eikenprocessierups onderdrukken. Ook de onderzoeken die gebeurd zijn naar de impact van bermbeheer in het kader van het LIFE-project Eikenprocessierups tonen dat aan.

Specifiek voor de parasieten die zich op de rups gespecialiseerd hebben, blijkt uit het LIFE-onderzoek dat bloemrijke en kruidenrijke bermen – met een hoge diversiteit van bloeiende planten en vooral veel composieten – meer parasieten aantrekken. Dat betekent dat, door de bermen rond de eiken om te vormen naar een meer natuurlijke, kruidenrijke vegetatie, de eiken minder kwetsbaar worden voor plagen en daarmee de overlast beperkt kan worden. Welke beheermethode het best gebruikt wordt, hangt af van de huidige situatie en specifieke kenmerken van de locatie, maar het verwijderen van het maaisel wordt aangeraden.

Voor Vlaanderen verwijzen we voor de methodiek naar de pagina Ecologisch bermbeheer op Ecopedia. Specifiek voor een bermbeheer afgestemd op wilde bestuivers verwijzen we naar het INBO-rapport ‘Advies over de aanpassing van het Bermbesluit in functie van wilde bestuivers’.

In Nederland geeft de brochure ‘Kosten en baten bijvriendelijk beheer’, ontwikkeld door Wageningen Environmental Research, een gedetailleerd overzicht van mogelijke maatregelen. Deze brochure is gericht op het stimuleren van bijen, maar deze maatregelen zijn effectief voor veel meer soorten insecten en stimuleren zo de algehele biodiversiteit en natuurlijke plaagonderdrukking van de eikenprocessierups.

In de volgende tabel worden de methodes samengevat die in verschillende omstandigheden kunnen worden gebruikt om meer kansen te geven aan natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups:

Situatie Periode Doel Methodes
Grazige bermen Mei – september
  • Aantrekken en overleven insecten
  • Aantrekken insectenetende vogels
Ecologisch bermbeheer, o.a.
  • Minder maaien
  • Extensief maaien & afvoeren
  • Gefaseerd maaien/maaien in stroken
  • Sinusmaaien
  • Niet klepelen
Ruige bermen Mei – september Ecologisch bermbeheer, o.a.
  • Verarmen
  • Maaien en afvoeren
  • Gefaseerd maaien
  • Sinusmaaien
  • Niet klepelen
Bosplantsoen/struweel
  • Struikensamenstelling diversifiëren
  • Aanplanten inheemse struiken
  • Overgang struweel-berm structureren
  • Lobbenvormig snoeien
Oevers Mei – september
  • Aanleg natuurvriendelijke oevers
  • Maaien en afvoeren
  • Gefaseerd maaien
  • Sinusmaaien
  • Niet klepelen

Klimop

Klimop (Hedera helix)op de stam en de onderste takken van eiken beperkt aanzienlijk het aantal en de grootte van eikenprocessierupsen in de boom. Mogelijk creëert de klimop een koeler microklimaat in de boom dat de rups niet verdraagt, of vormt de klimop een fysieke hindernis voor de rups.

Klimop heeft daarbij geen of een beperkte impact op andere vlindersoorten, blijkt uit de resultaten van het LIFE-project.

Op plaaggevoelige locaties (een groot aandeel van eiken, vooral zomereiken, in het totale bomenbestand) heeft het dus voordelen om aanwezige klimop te laten staan.

Het aspect veiligheid – de aanwezigheid van loshangende takken verborgen door de klimop – moet wel gerespecteerd worden.

Omvorming bomenbestand

Zomereiken, de voornaamste waardplant van de eikenprocessierups, hebben een zeer belangrijke functie in ons ecosysteem. Ze zijn een voedselbron voor ongeveer 150 soorten nachtvlinders, enkele dagvlinders en vele andere soorten insecten, die op hun beurt weer vogels en vleermuizen aantrekken. Genoeg reden om eikenbomen zo veel mogelijk te behouden.

Anderzijds is het de plek waar de vlinder haar eitjes legt en de voornaamste voedselbron voor de rupsen. Zonder eikenbomen geen eikenprocessierups.

In natuurlijke omstandigheden, in onze omgeving vooral het berken-eikenbos en het beuken-eikenbos, vormen eikenprocessierupsen zelden een probleem. Het risico op overlast doet zich vooral voor in monotone eikenlanen en -aanplantingen. Door meer variatie in het bomenbestand wordt het risico op plagen beperkt en ontstaat een robuuster en gebalanceerd ecosysteem.

Diversiteit is daarnaast ook voor het beheer en de planning van het bomenbestand in de gemeente. Men spreekt van een stabiele straatbomenpopulatie wanneer de kans klein is dat het aantal functionele bomen zodanig afneemt dat het beheer sterk verstoord wordt, bv. bij het uitbreken van een plaag. Bij het uitbreken van een dodelijke ziekte of plaag moet immers snel actie ondernomen worden door het vellen of behandelen van aangetaste bomen. Dit leidt vaak tot onverwachte wijzigingen met betrekking tot inzet van budget en personeel. Door niet te veel éénzelfde soort te gebruiken, vermindert de kans dat bij een uitbraak het reguliere beheer sterk verstoord wordt. Het veelvuldig toepassen van één bepaalde soort (of zelfs geslacht of familie) binnen een gemeente of wijk moet daarom zo veel mogelijk vermeden worden (Joos, 2014).

Voor het evalueren van de diversiteit aan bomen binnen het gemeentelijk bomenbestand wordt de volgende vuistregel aangeraden (Santamour, 1990):

Algemene regel
Max. 5% Bomen van dezelfde cultuurvariëteit Vb. Quercus robur ‘Concordia’ (goudeik)
Max. 10% Bomen van dezelfde soort Zomereik (Quercus robur)
Max. 20% Bomen van hetzelfde geslacht Eikengeslacht (Quercus)
Max. 30% Bomen van dezelfde familie Napjesdragersfamilie (Fagaceae) – eiken (Quercus), kastanjes (Castanea), beuken (Fagus)

Het omvormen van het gemeentelijke bomenbestand is iets wat niet direct gerealiseerd kan worden en brengt ook een grote kost met zich mee. Waar vervangingen moeten gebeuren, bijvoorbeeld bij wegwerkzaamheden, wijkrenovaties … kan gestart worden om de 5-10-20-30-regel in te voeren.

Het diversifiëren mag echter geen doel op zich zijn. In het selectieproces moet ook rekening worden gehouden met de eigenschappen van de standplaats, het aanpassingsvermogen (klimaat) en de geschiktheid voor een bepaalde soort voor toepassing in een stedelijke omgeving. Sommige standplaatsen vragen nu eenmaal om soorten die hun geschiktheid al bewezen hebben. Ook biodiversiteit en erfgoedwaarde kunnen de boomsoortkeuze bepalen.

Stimuleren natuurlijke vijanden


Methode Periode Doel Impact Andere voordelen Nadelen/aandachtspunten
Vogels Aanbieden nestkasten April/ mei Verhogen predatiedruk Beperkt Bewustwording
Educatief aspect
Werklast
Vleermuizen Aanbieden nestkasten Juli/ augustus Verhogen predatiedruk Niet onderzocht Bewustwording
Educatief aspect
Biodiversiteit
Werklast
Sluipwespen en -vliegen Aangepast bermbeheer Jaarrond Verhogen parasiteringsgraad Beperkt Biodiversiteit Niet effectief bij lage plaagdruk
Nesten laten hangen Juni Verhogen parasiteringsgraad Verwacht positief Biodiversiteit Gezondheidsrisico
Nesten opslaan in parasietkasten Juni Verhogen parasiteringsgraad Niet onderzocht Bewustwording
Educatief aspect
Biodiversiteit
Werklast
Roofkevers Monitoring April/ juni Verhogen predatiedruk Beperkt Bewustwording
Educatief aspect
Biodiversiteit

Vogels

Bij hoge plaagdruk hebben koolmezen en pimpelmezen zeker invloed op de populatiegrootte van eikenprocessierupsen, blijkt uit onderzoek in het LIFE-project Eikenprocessierupsen. Op locaties met nestkasten worden rupsennesten sneller kleiner – ongeveer 40% sneller per jaar. De conclusie van dit onderzoek was dat het plaatsen van nestkasten voor koolmezen en pimpelmezen aanzienlijk helpt om de rupsenpopulaties op een locatie met veel overlast te verminderen.

De mezenjongen eten enkel rupsen tot en met het derde larvenstadium (vooral in de periode april-mei). De ontwikkelingscycli van de rupsen en de mezenjongen lopen niet elk jaar synchroon, dus de impact is niet elk jaar even groot.

Bij lage plaagdruk zullen vogels zich op andere rupsen focussen en is de impact op de eikenprocessierups eerder beperkt.

In ideale omstandigheden – voldoende oude bomen met holtes en een ruim voedselaanbod – zullen mezen al in de omgeving aanwezig zijn. Dat is bij laanbomen zelden het geval. Op plaatsen die plaaggevoelig zijn, dus met veel zomereiken, zal het ophangen van nestkasten in de regel een extra stimulans geven. Ook om redenen van bewustwording en educatieve aspecten kunnen nestkasten een meerwaarde bieden. Hou bij het ophangen van de nestkasten ten minste 15 m afstand tussen de kasten – mezen zijn territoriale vogels.

Nestkasten moeten jaarlijks onderhouden en regelmatig vervangen worden, wat een zekere werklast vraagt.

Op de website van het project LIFE Eikenprocessierups kan je een algemene flyer, een bouwplan en gedetailleerde instructies voor het ophangen van mezennestkasten terugvinden, samen met een aantal instructiefilmpjes.

Vleermuizen

Verschillende vleermuissoorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van grote nachtvlinders. De impact ervan op de populatiegrootte van eikenprocessierupsen is echter nog niet onderzocht.

Bij gebrek aan voldoende natuurlijke schuilmogelijkheden kunnen sommige vleermuizen aangetrokken worden door het ophangen van speciale vleermuiskasten. Ongeacht de aanwezigheid van eikenprocessierupsen zal dit een toegevoegde waarde hebben voor de biodiversiteit en is ook het educatieve en bewustwordingsaspect van belang. Anderzijds komen soorten als grootoorvleermuis en rosse vleermuis vooral voor op plaatsen waar al voldoende bomen met holtes aanwezig zijn, en zelden in een woonomgeving waar de overlast van processierupsen een probleem vormt.

Ook nestkasten voor vleermuizen vragen jaarlijks onderhoud en regelmatige vervanging.

Bron: Vilda, Auteur: Rollin Verlinde

Sluipwespen en -vliegen

De resultaten van het LIFE-project Eikenprocessierups tonen aan dat het aandeel van door sluipvliegen en -wespen geparasiteerde rupsen in een nest aanzienlijk is – gemiddeld 70% van alle rupsen in een nest wordt geparasiteerd en wordt dus nooit een vlinder.

Het project heeft ook aangetoond dat bij hoge plaagdruk, in soortenrijke, bloemrijke en nectarrijke bermen dit aandeel zelfs tot 90% kan stijgen. Een aangepast bermbeheer gericht op de ontwikkeling van structuurrijke en soortenrijke bermen kan dus aanzienlijk bijdragen aan een vermindering van de plaagdruk, vooral op plaatsen die plaaggevoelig zijn.

Op vraag van het LIFE-project loopt er in de Plantentuin Meise een studie naar de aanwezigheid van plantenmateriaal op de monddelen van de sluipvliegen met behulp van DNA-analyse. We hopen daarmee meer inzicht te krijgen in de voorkeur van de sluipvliegen voor bepaalde bloemsoorten.

De Nederlandse ‘Leidraad Beheersing Eikenprocessierups’ stelt dat de meest eenvoudige manier om natuurlijke vijanden aan te trekken is om rupsennesten te laten hangen op plaatsen waar ze geen risico vormen. Daardoor blijven ook de daarin aanwezige natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups achter en zijn er kansen voor de instandhouding van een populatie natuurlijke vijanden.

Een methode om parasieten te behouden met minder gezondheidsrisico’s is het opslaan van verwijderde nesten in parasietkasten. Natuurlijke vijanden blijven in deze kisten in leven en komen in het voorjaar uit. De vlinders kunnen de kisten echter niet verlaten, waardoor er minder risico is op gezondheidsklachten. De kisten worden gevuld met weggenomen nesten in juni en blijven ter plaatse tot het voorjaar of het najaar van het daaropvolgende jaar.

Ook deze methode vraagt een jaarlijkse actie om de kisten te vullen en te reinigen voor het volgende seizoen. Bij die actie moet beschermende kledij worden gedragen.

Roofkevers

Al vanaf de jaren 1970 werd de vraag gesteld of het mogelijk is roofkevers in te zetten tegen plagen van eikenprocessierups, zowel in Nederland als Duitsland.

In landen als Turkije wordt de grote poppenrover op grote schaal gekweekt en ingezet om plagen van de dennenprocessierups onder controle te houden. Deze kever komt daar veel voor in gebieden waar zowel de eikenprocessierups als de dennenprocessierups voorkomen. Uit onderzoek blijkt dat kevers uit Turkse regio’s met veel eikenprocessierupsen ook in Vlaanderen effectief kunnen zijn, omdat zij hier eveneens de rupsen eten.

Momenteel wordt er een DNA-onderzoek uitgevoerd om de genetische verschillen tussen de kevers uit Vlaanderen en die uit andere delen van Europa te bepalen. De resultaten van dit onderzoek zullen bepalen of we in de toekomst grote poppenrovers van elders kunnen uitzetten in België.

Uit het LIFE-project bleek dat het mogelijk is in labo-omstandigheden in Vlaanderen de grote poppenrover op te kweken van kever – via eitjes, larven en poppen – tot een volgende generatie kevers. Dit was een première voor West-Europa. 

De volledige cyclus neemt maar een 40-tal dagen in beslag, wat zeer snel is voor een kever, en ook grote mogelijkheden biedt. Zo komen de kevers in de lente boven de grond en gaan ze direct op zoek naar voedsel en een partner. Eens ze beide gevonden hebben, worden er eitjes gelegd die na 4 dagen al uitkomen. De larven zijn vanaf de geboorte zeer actieve jagers en verorberen dagelijks meerdere kleine jeukrupsen. Het uitzetten zou dan ook in de larvale fase na een maand al kunnen plaatsvinden.

Auteur: Provincie Limburg

Onder ideale omstandigheden verloopt dit onderzoek verder, in samenwerking met buurlanden waar de kever talrijker voorkomt. Door in het laboratorium enkele kevers samen te brengen, kan men starten met het kweken van eitjes. De benodigde expertise is inmiddels aanwezig om zo een groter aantal dieren te produceren, die we bij uitbraken snel kunnen uitzetten. Dit kan zowel in gebieden met een hoge plaagdruk van de eikenprocessierups (EPR) als de dennenprocessierups (DPR). Doch vooraleer we kunnen denken aan commercialisering, zijn er echter nog enkele belangrijke drempels te overwinnen.          Een belangrijk aandachtspunt is dat de plaagdruk van processierupsen lokaal met pieken en dalen verloopt, wat commercialisatie op kleine schaal niet evident maakt.

In afwachting van een soortgelijk kweekprogramma in de Benelux of buurlanden kan informatieverspreiding rond deze soort wel helpen om de bewustwording rond natuurlijke bestrijding van processierupsenplagen te verhogen.