/ Q&A

Q&A


ALGEMEEN

Zomereiken zijn de meest gegeerde bomen; rupsen op andere eikensoorten (Amerikaanse eik, moeraseik, …) worden slechts zelden waargenomen. Bij voedseltekort kan het voorkomen dat er rupsen gesignaleerd worden op andere boomsoorten zoals berk, beuk, Amerikaanse vogelkers

De verspreiding gaat jaarlijks verder naar het noorden en in Vlaanderen richting de kust. Ook in Wallonië zijn er belangrijke aantallen vlinders gezien dit jaar. Ook in NL wordt de verspreiding steeds groter.

Het LIFE-project duurt 5 jaar, tot 31 augustus 2025. Ook daarna zullen we de proeven nog verder opvolgen.

Weten we niet precies… per larvaal stadium heb je verschillende natuurlijke vijanden met elk hun specifieke omstandigheden… daar gaan we naar op zoek.

Nee, je zult telkens afwegingen moeten maken in het kader van de Volksgezondheid. De overlast locaties in beeld brengen en een goede monitoring van de EPR is een eerste vereiste. In sommige gevallen zal het wegzuigen van nesten of een andere bstrijdingsmethode dus nog wel aangewezen zijn.

We hebben daar geen gegevens over, maar waarchijnlijk is dat wel het geval.

Ja, maar alleen in het laatste larvale stadium en dat is kort, dus waarschijnlijk is de oorworm minder doeltreffend.

In de proeven proberen we zoveel mogelijk omgevingsfactore mee in rekening te brengen. We bekijken of ‘afstand tot een akker relevant’ eventueel mee opgenomen moet worden.

Op onze LIFE website vind je de ecologie van deze soort terug. https://eikenprocessierups.life

Neen, dat valt buiten de scope van dit LIFE-project.

Er wordt samengewerkt met de mensen van LIFE PISA, dat gaat over de bestrijidng van de dennenprocessierups. We wisselen onze kennis en ervaringen uit en mogelijk volgt er in de toekomst een nieuw project rond de dennenprocessierups in onze regio.

Klopt! Ons landschap is eenzijdig, met veel eiken. Door toepassing van de 10-20-30-regel zouden we al veel verder komen in diversiteit. Echter, overheden moeten keuzes maken en durven bestaande laanstructuren om te vormen. Dat gebeurt voorlopig nog veel te weinig.

Over grondnesten is momenteel nog maar heel weinig geweten. We volgen het onderzoek daaromtrent op.

In onze statistische analyses wordt er zoveel mogelijk voor dergelijke ‘co-factoren’ gecorrigeerd.

Spijtig genoeg kunnen ze vrij goed nachtvorst overleven.

Helaas niet, er zit een soort van antivriesmiddel in de eitjes.

Wellicht waren het geen eikenprocessierupsen, maar een andere soort.

We willen er in onze communicatie zeker op wijzen dat we de overlast veroorzaakt door de EPR onder controle willen houden, maar dat de soort wel degelijk een plaats heeft in de voedselketen en dat we ze zeker niet willen uitroeien.

Goede opmerking. Lokstoffen of geurstoffen mogen niet gebruikt worden ter bestrijding. Onderzoek naar geuren spoorvorming is wel een interessante piste voor toekomstig onderzoek.

De koekoek is inderdaad ook een natuurlijke vijand. Zijn exacte bijdrage aan het terugdringen van de EPR kennen we spijtig genoeg niet.

Ja, er is een pagina gewijd aan effecten op gezondheid. Ook in onze monitoringsstrategie zal naar de evolutie van de gezondheidseffecten gekeken worden.

Top idee.

Dat is zeker correct. De opbouw van de website rond die drie technieken is gebaseerd op de projectacties, waarbij we de individuele effecten van elke methode eerst apart willen onderzoeken. We zien dat als een eerste stap. Eerst kijken wat werkt en op welke manier. Daarna kan geïntegreerde bestrijding een rol krijgen.

Dat weten we pas in maart, april, mei 2021. Voorspellingen kunnen we op dit moment nog niet doen. Ook niet met de vangsten van de feromoonvallen.

Het gaat over hoe ver de mezen en andere predatoren vliegen. We gaan ervan uit dat ze niet verder dan 200 mvliegen als er voedselaanbod is.

Het vergt specifieke opleiding en ervaring. Het is echter in BE ook geen voorkeurstechniek. Wegzuigen geniet de voorkeur.

BIOCIDEN

Biociden en pesticiden zijn niet hetzelfde ; de overkoepelende term voor beiden is ‘bestrijdingsmiddelen’. Pesticiden zijn bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik ( = gewasbeschermingsmiddelen of de zgn. fyto-farmaceutische producten) ; biociden zijn bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik (desinfectiemiddelen, bewaarmiddelen, plaagbestrijdingsmiddelen). Biociden, en ook pesticiden (gewasbeschermingsmiddelen)moeten een toelating hebben van de overheid om op de markt te mogen worden gebracht (In BE : FOD Volksgezondheid, in NL : CTGb)

Zie definities in art. 3 (1) a) , b) en c), van de Europese Biocidenverordening nr. 528/2012 van 22 mei 2012 : Biociden zijn stoffen of mengsels die: een of meer werkzame stoffen bevatten of genereren; en bestemd zijn om schadelijke of ongewenste organismen varierend van bacterien en visussen to schimmels of ratten te vernitigen, af te weren, onschadelijk te maken of voorkomen. BT val onder Biocides Biologischebestrijding. In Nederland is de CTGB verantwoordelijk voor de toelating. Bij de CTGB zijn voorwaarden van gebruik ook per middel en of merknaam aangegeven.

Een biocide moet bestaan uit een of meerdere werkzame stoffen ; een werkzame stof is een stof of een micro-organisme met een werking op of tegen schadelijke organismen ; en een micro-organisme is een microbiologische entiteit, cellulair of niet-cellulair, die in staat is tot replicatie of tot overdracht van genetisch materiaal, met inbegrip van lagere fungi, virussen, bacterien, gisten schimmels, algen, protozoën en microscopische parasitaire wormen. In de mate dat een bacteriepreparaat bestaat uit dergelijke micro-organismen, en in de mate dat aaltjes microscopische parasitaire wormen zijn, en in de mate dat zij de intentie hebben om een schadelijk organisme te bestrijden, moeten zij beschouwd worden als een biocide.

Dit verstaan wij onder biociden (Bt is inderdaad een werkzame stof, die overigens ook op Europees niveau geëvalueerd wordt) en het doel van het project is het gebruik hiervan te verminderen

Feromoonvallen zijn biociden en dus toelatingsplichtig (behoren tot de biocideproductsoort 19 : lokstoffen – zie Bijlage V van de Europese biocidenverordening). In NL SIttard-Geleen zijn we al meer dan 10 jaar bezig met feromoonvallen, maar die lijken niet heel geschikt voor de eikenprocessierups. Door hun typische levenscyclus heeft er al een paring plaatsgevonden in bijna 95 % van de gevallen, vóór dat de vlinders in de vallen komen. Daardoor zijn de vallen niet doeltreffend.

Bekijk definitie van de CTGB in NL. De CTGB is ook het toetsings orgaan in NL.

Volgens de definitie van het ctgb is een biologisch organisme dat gebruikt wordt voor bestrijding van een ander organisme wel een biocide: https://www.ctgb.nl/onderwerpen/duurzaam/vraag-en-antwoord/wat-is-een-biocide

Onderzoeken wat de neveneffecten zijn van biociden valt buiten de scope van dit project. We weten wel dat BT heeft geen gevolgen heeft voor vogels en vleermuizen etc. Bestaande onderzoeken geven dit duidelijk aan.

MEZEN

In de interactieve eikenprocessierupsenkaart (Provincie Antwerpen en Oost-Vlaanderen) kan je meerdere bomen in 1 melding ingeven als ze in eenzelfde lijn (bv. bomen in dezelfde straat) of vlak (bv. bomengroep) kunnen ingetekend worden, zowel voor melding van nesten (zonder of met login) als voor beheermaatregelen en aanvraag biocidebehandeling (met login).  Verspreid staande bomen worden als aparte punten ingetekend. Meer info in de handleiding die via het geoloket is te raadplegen.

Vleermuizen eten nachtvlinders zoals ook de eikenprocessievlinder. In dit LIFE-project hebben we dit echter niet meegenomen. We gaan wel bekijken of we hierrond kunnen werken buiten dit project.

In het LIFE-project worden er 360 nestkasten wetenschappelijk opgevolgd. Indien er op andere locaties nestkasten worden opgehangen volgens de proefopstelling van het LIFE-project en deze verder opgevolgd kunnen worden, zullen we die data integreren in de dataset van het het LIFE-project. In provincie Antwerpen zal de opvolging gebeuren met de hulp van stagestudenten. Andere nestkasten worden niet meegenomen in onze analyses, maar uiteraard zijn we wel geïnteresseerd in ervaringen en bevindingen en staan we zeker achter dergelijke acties.

De nestkasten worden droog schoongemaakt. Alle resten worden verwijderd en afgekrapt met een plamuurmes. In de flyer van provincie Antwerpen (terug te vinden op de projectwebsite), vind je een uitgebreide uitleg.

Interessante vraag maar helaas wordt dit niet onderzocht in het LIFE-project. Misschien wel interessant voor een toekomstig onderzoek 🙂

In januari en februari zoeken mezen een nestplaats. Ze zoeken echter reeds vóór de winter een geschikte slaapplaats, die meestal hun nestplaats wordt. Daarom worden de nestkasten best opgehangen in de periode oktober tot en met december.

Wij gebruiken 3mm dik geweven nylondraad (paracord). Dit breekt en heeft niet de nadelen van ijzerdraad. Bovendien kan je door gebruik van een aangepaste knoop de lus jaarlijks wat groter maken. Instructiefilpmjes vind je terug op onze website.

We weten dat vele andere vogels ook eikenprocessierupsen eten. Maar van de mezen is al duidelijk geweten dat ze er heel veel eten en dus een efficiënte natuurlijke beheerder zullen zijn.

Het kan inderdaad gebeuren dat de eikenprocessierups zijn nest maakt achter (meestal) en soms in de nestkast. We hebben toch gekozen om de nestkasten in de te bestuderen bomen te hangen omdat we zo duidelijker het effect gaan kunnen meten en neveneffecten van aangrenzend landgebruik kunnen uitschakelen. Vaak zijn er ook weinig alternatieve locaties voor nestkasten als het om een rij van eikenbomen langsheen een weg gaat.

Elke boom krijgt een nestkast. Pimpelmezen en koolmezen zijn niet territoriaal tov elkaar en hebben vrij kleine territoria zodat ze alternerend de nestkasten bezetten.

15, in elke boom 1.

Dat wordt wel gedaan. We kijken ook naar ecologisch beheer van bermen. Om resultaten beter te kunnen meten worden de zaken los van elkaar onderzocht, in de praktijk zal waarschijnlijk een combinatie van methodes het beste werken.

Ja.

Mezen eten inderdaad ook andere rupsen. Maar de mezenjongen zijn er juist als de eikenprocessierups uitkomen. De eikenprocessierups is daardoor een belangrijk deel van hun dieet.

Mezen zijn gemakkelijke broeders. In oktober-december gaan ze al op zoek naar schuilgelegendheid. Meestal wordt dit later hun nestplaats. Daarom moet je dus nu reeds nestkasten hangen. Uiteraard is een nestkast op zich geen garantie dat er effectief een nest in gemaakt wordt. Andere omgevingsfactoren spelen hierbij ook een rol.

Dit wordt niet specifiek onderzocht in het LIFE-project. We zullen het navragen bij een mezenexpert.

Je hangt de nestkast best op aan het NO-zijde van de stam (kant met minste regen) en je kan nog een beetje meer N of O schuiven naar de kant van de minste verstoring. Mezen kunnen wel broeden met enige verstoring, bv. langs wandelwegen.

Voorlopig wordt hier nog geen rekening mee gehouden. De proeflocaties bevinden zich momenteel vooral in meer landelijke gebieden. Wel komt er een pilootproject in een meer stedelijke omgeving waarbij jouw vragen zeker relevant zijn om te onderzoeken.

Er is een verschil tussen biociden met een langduriger negatief effect op het ecosysteem en die eenzijdig door de mens worden toegepast en een inheemse vogelsoort die deel uitmaakt van een natuurlijk voedselweb. De mezen passen hun broedgedrag aan het voedselaanbod aan. Dus bij vermindering van het aanbod van eikenprocessierups zal het broedsucces ook afnemen.

Uit observatie blijkt dat mezen een voorkeur hebben voor eikenprocessierupsen als ze dichtbij worden ‘aangeboden’. Maar uiteraard eten de mezen ook andere rupsen.

Ja, het noord-oosten van de boom is de beste richting, op 2,5 meter hoogte. Meer instructies vind je op onze website https://eikenprocessierups.life

Dit gebeurt inderdaad sporadisch, maar we hebben er geen cijfers over.

We gaan ervan uit dat de meeste nestkasten wel onderhouden gaan blijven en dat we de koord losser maken naarmate de boom groeit (dan knapt het touw niet).

Ja, dat werkt ook met dikke bomen.

Pimpelmezen en koolmezen zijn niet territoriaal tov elkaar en hebben vrij kleine territoria zodat ze alternerend de nestkasten kunnen bezetten.

NO van de boom, dit is de niet-regenkant

PARASIETEN

Dat proberen we door het uitkweken van jaarlijks 250 rupsennesten om te kijken hoe de parasitering is.

Inheemse meerjaarige kruidachtige vegetatie, voormamelijk schermbloemigen. De nadruk van het experiment ligt echter niet enkel op het inzaaien maar ook op het vergelijken van verschillende beheertypes (bv. maaifrequentie) en het vergelijken van vegetatie met en zonder bramen, enzovoort. In totaal bekijken we 6 verschiillende vegetatietypes.

De parasietering van de rupsen zal bekeken worden door de nesten te onderzoeken. In de provincie Gelderland kijken we breder naar de insecten die op de proeflocaties voorkomen en dus ook de rupsenetende insecten, maar ook andere insecten voor de biodiversiteit in bredere zin. Proefveldjes in Sittard-Geleen worden ook breed gemonitoord (bestuiving, in ‘t oog houden van andere plaagsoorten die belangrijk zijn, …)

Rond grondnesten is er voorlopig nog weinig geweten. We volgen dit verder op.

Nee, niet voor alle bermen en eiken. Het effect van bermbeheer in combinatie met stoppen met bestrijding is de afgelopen 5 jaar wel gemonitord en gerapporteerd. De rapporten zijn beschikbaar via landschapsbeheergelderland.nl/leernetwerk-ecologisch-bermbeheer/

Het gaat over de bermen waar de eiken uit het project in staan. De afstand is dus 0 meter. We kijken niet naar hoever het effect in de omgeving uitstraalt.

We onderzoeken bij de LIFE proef wat het effect is van het normale ecologische bermbeheer. Aangezien de doelstelling van ecologisch bermbeheer steeds meer gericht is op goed beheer voor een brede groep gewenste insecten en niet meer alleen de vegetatie verwachten we dat er geen speciale maatregelen voor de natuurlijke vijanden van de EPR nodig zijn.

Dat is dus verschillend. hoe natuurlijker hoe breder, hoe meer stedelijk des te smaller. In beide situaties kan de eik aangetast zijn door de EPR. In het project gaan we ontdekken wat we ermee kunnen in beheer als in bestrijding en beheersing.

Dit doen we in een proef buiten het LIFE-project in Belgisch Limburg, Antwerpen en Gelderland.

Ja, we gaan ook actief oude nesten in een parasietnestkast plaatsen. Hier kunnnen de parasieten uit maar de eikenprocessievlinder niet.

We nemen slechts een beperkt aantal nesten weg, de meesten laten we hangen. Ook het moment van wegnemen speelt hierbij een rol.

We merken dat er ook sluipwespen zijn die eieren parasiteren. Het aantrekken van natuurlijke vijanden in bermen trekt niet alleen parasieten van rupsen aan, maar mogelijk ook deze eiparasieten.

In bermen langs wegen is klimop op de bomen ongewenst omdat men dan de bomen niet goed kan controleren op gevaar van stambreuk. Maar op andere plekken is klimop zeer waardevol voor insecten. Wij kijken bij de LIFE-proef naar o.a. bramen in de buurt. De levenscyclus van de dennenprocessierups is iets anders, waardoor feromoonvallen bv. bij dennenprocessierups beter werken. Er wordt kennis uitgewisseld met onderzoekers die rond de dennenprocessierups werken.

POPPENROVER

Dit weten we nog niet maar dat lijkt ons alvast geen voorkeursvoedsel voor de mees.

De eikenprocessierups is een favoriet van de grote poppenrover, maar ze eten mogelijk ook rupsen van de plakker en de nonvlinder.

3 à 4 cm, zoals een vliegend hert.

De grote poppenrover komt vooral voor langs bosranden.

Die garantie hebben we uiteraard niet. We gaan eerst op basis van een habitatkaart die INBO voor dit project gaat opstellen op zoek naar de meest geschikte locaties voor de grote poppenrover. Mogelijk kunnen ze daar overleven. Als dat niet het geval is, is het een optie om de soort te blijven kweken en uit te zetten op locaties met veel overlast van de eikenprocessierups. We hopen aan het einde van het project deze vraag beter te kunnen beantwoorden.

We gaan werken met populaties uit zuidoost Europa, die genetisch gelijk zijn aan de populaties die tot voor kort in onze regio voorkwamen.

Volgens de literatuur 50-250 meter. Dit willen we uittesten door gebruik te maken van zenders.

Als kever in de boom voornamelijk vogels. Als larve of bij het overwinteren in de grond kleine zoogdieren: muizen, egels.

Deze kans is zeer klein. Tot nu toe is er nergens overlast door de kever gemeld.

Volgens de NL wetgeving mag dit niet. In België was er meer ruimte en konden we sneller beginnen en dit opnemen in het LIFE-project.

Tips zijn altijd welkom! info@eikenprocessierups.life

Zoals hoger vermeld zal het INBO een habitatmodel ontwikkelen voor de selectie van potentieel geschikt leefgebied van de kever. Goede suggesties zijn natuurlijk altijd welkom!

De kleine poppenrover speelt ook een rol, we zien de aantallen langzaam toenemen en volgen deze wel op. De kleine poppenrover is een iets kleine kever die in hetzelfde biotoop leeft en vermoedelijk door de klimaatopwarming profiteert van de gunstigere omstandigheden. Waarnemingen zijn er vooral in mei en juni met een piek in mei. Voedsel voornamelijk wintervlinders maar als de eikenprocessierupsen klein zijn (in mei groeien deze snel) kunnen ze soms als voedsel dienen.

Daar hebben we geen gegevens over. We zullen dus moeten afwachten.

Het zou mooi zijn, moest die zich opnieuw kunnen vestigen. Maar we gaan daar niet per se van uit. Mogelijk zullen de kevers recurrent moeten uitgezet worden.

SAMENWERKING

Neen, voorlopig niet. Wellicht zijn er raakvlakken en kan er kennisuitwisseling plaatsvinden. We zullen bekijken of ze mogelijk deel kunnen uitmaken van één va onze adviesraden. Samen met de huidige projectpartners zijn we enkele jaren bezig geweest om dit EU LIFE-project voor elkaar te krijgen en toen was dat topsector-onderzoek nog niet gestart. Kennisoverdracht is van groot belang om verder te komen in de ondekkingen van de EPR.

Nee

Hier ligt een taak voor zowel gemeenten als provincie: samenwerking. In Zuid-Limburg werken we al meer dan 10 jaar samen met gemeenten: centrale coordinatie, centrale monitoring etc. Om dit goed te doen moet je bij elkaar in de keuken kijken. Iemand van de Provincie of van een gemeente moet dit op zicht durven nemen en dan lukt het.

De gemeenten waar onze proeflocaties gelegen zijn, worden daarvan op de hoogte gebracht en zijn uiteraard heel welkom op onze demonstratiemomenten.

Door niet enkel te focussen op de EPR bestrijding maar op het breder belang van kleurkeur/ecologisch beheerde bermen. Ook voor bestuivers, vlinders etc. En die insecten hebben ook economisch belang, zo zorgen wilde bijen en motten voor een betere bestuiving en meer opbrengst bij fruit dan honingbijen. Een cursus kleurkeur kost niet veel geld en de kosten voor ecologisch beheer (zeker als je op iets langere termijn kijkt) hoeven niet hoger te zijn dan het 18xjaar als gazond maaien en kan op den duur zelfs goedkoper zijn. Als daarnaast ook de kosten voor de bestrijding van plaagsoorten als de EPR omlaag gaan is het ook economisch goed haalbaar. Verder is er winst te behalen door een goeie samenwerking. 3b’s. In onze socio-economische studie gaan we de kosten van ecologisch beheer t.o.v. gebruik biociden ook in kaart brengen. We vermoeden dat het ecologisch beheer veel goedkoper zal zijn.

Jullie zijn heel goed bezig! Voor praktische vragen kunnen jullie bij ons terecht, maar om een bijkomende wetenschappelijke studie op te zetten, hebben we spijtig genoeg de mankracht en middelen niet.

Lokale besturen mogen zeker op eigen initiatief ook nestkasten hangen. Ze moeten er wel voor zorgen dat deze niet in de buffer van 200m rond de locaties van LIFE worden gehangen en dat er in die zone zeker geen biociden gebruik is. Dat om te vermijden dat de experimenten verstoord worden. Op de interactieve eikenprocessierupsenkaart kan de gemeente de locatie van eigen nestkasten aanduiden. Zo kunnen de data misschien later nog gebruikt worden.

Momenteel is er nog geen samenwerking.

Kennisuitwisseling met het Kennisplatform processierups is van groot belang en staat op de rol.

Niet als partner, maar je kan wel volledig op de hoogte gehouden worden via de nieuwsbrief, website, sociale media, …

Waarschijnlijk kunen jullie terecht in onze (nog op te reichten) stakeholdersgroep. We gaan dit de komende maanden verder uitwerken.

Dat kan per provincie verschillen. De provincie Antwerpen zal in ieder geval volgend jaar aktie ondernemen om nestkasten voordelig samen aan te kopen en te verdelen onder de gemeenten.

Dat gaan we bekijken.

Prima idee. Zeker doen!

Samenwerking is van groot belang. In Sittard-Geleen werken we al meer dan 10 jaar samen met verschillende gemeenten. Dit geeft alleen maar winst..