Biologie van de eikenprocessierups


De eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea) is een nachtvlindersoort uit een geslacht met wereldwijd 41 soorten, allen gekenmerkt door het bezit van brandharen. De meeste soorten leven in warmere gebieden, maar de eikenprocessierups en de dennenprocessierups zijn ook tot in West-Europa te vinden. 

In dit hoofdstuk leer je over de biologie van de eikenprocessierups: haar voorkomen en verspreiding, levenscyclus, algemene kenmerken, hoe ze te onderscheiden, voedselvoorkeur en vijanden. 

Voorkomen en verspreiding 


De eikenprocessierups komt al eeuwen in de Lage Landen voor. Na decennia afwezigheid heeft de soort zich sinds de jaren 70 van de vorige eeuw vanuit het zuidoosten terug verspreid en komt deze tegenwoordig tot in het noorden van Nederland voor. Ze lijkt hier een voorkeur te hebben voor bermen met lange rijen eikenbomen, waarschijnlijk omwille van het warmere microklimaat en de meestal lage(re) diversiteit aan natuurlijke vijanden. Door de afname of afwezigheid van natuurlijke vijanden, de klimaatverandering en de vele lanen met vooral eiken is het aantal rupsen en hun verspreidingsgebied flink toegenomen. 

Ook in andere landen, zoals Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk breidt de eikenprocessierups zich uit (EPPO Global Database). Binnen Europa is de eikenprocessierups daarnaast te vinden in Luxemburg, Kroatië, Denemarken, Hongarije, Moldavië, Spanje, Zweden, Oekraïne, Rusland, de Kanaaleilanden, Polen en Italië.  

Net als bij de meeste plaagsoorten gaat de populatiedichtheid van de eikenprocessierups sterk op en neer. In het grootste deel van Europa waren er pieken in 1996, 2007, 2018/2019 en 2021/2022. Sindsdien zit de soort in België terug in een dal, maar de verwachting is dat er nieuwe pieken zullen volgen. 

Een nauwe verwant, de dennenprocessierups (Thaumetopoea pityocampa), kent een soortgelijke migratiebeweging vanuit het zuiden. De vlinder is in 2024 en 2025 al enkele keren waargenomen in Wallonië, maar nesten zijn nog niet gemeld. De verwachting is dat ook deze soort binnen enkele jaren hier opduikt.

Eikenprocessievlinder / Oak Processionary
Source: Wikipedia / Auth.: Ben Sale / Lic.: CC BY 2.0

Naast natuurlijke migratie kunnen processierupsen ook via plantgoed het land binnenkomen. Zo is de eikenprocessierups via ingevoerde eiken in de omgeving van Londen terechtgekomen en daar tot een plaagsoort uitgegroeid. 

Levenscyclus 


In ons gematigd klimaat komen de eikenprocessierupsen doorgaans in de eerste weken van april uit het ei. Dat gebeurt gewoonlijk massaal en gelijktijdig, maar bij wisselend weer komen sommige eieren pas weken later uit. De rupsen wachten nabij de bladknoppen tot deze openspringen, wat soms nog enige tijd kan duren. Vanaf dat moment groeien de rupsen snel en vervellen ze in totaal vijf keer. In de eerste twee stadia heeft de rups geen brandharen. In deze periode zijn ze het meest gevoelig voor natuurlijke vijanden. 

Hierboven afbeelding levenccyclus EPR

Vanaf het derde larvenstadium (eind april/begin mei) krijgen de rupsen op één segment korte brandharen, en vanaf het vierde stadium over het hele lichaam: tot 700.000 haren. Verwar deze niet met de duidelijk zichtbare lange witte haren, die volkomen onschuldig zijn. Na het derde stadium beginnen de rupsen nesten te maken, meestal op de stam of in de onderste takken van de boom. Ze zijn dan heel sociaal en blijven heel hun verdere rupsenleven bij elkaar. Elke avond verlaten ze de nesten om aan de bladeren te vreten, om ’s morgens terug te keren. Soms wordt daarbij een processie gevormd van rupsen die elkaar volgen doorheen de boom. De rupsen verpoppen in het nest. 

Gezondheid - brandharen eikenprocessierups
Gezondheid – brandharen eikenprocessierups

Van eind juli tot en met september vliegen de volwassen vlinders uit, met een piek begin augustus. Het moment van uitkomst van de vlinders hangt af van de temperatuurontwikkeling in het voorjaar en de zomer. De vlinders hebben geen monddelen en eten niet. Zowel de vrouwtjes als de mannetjes zijn goede vliegers. Mannetjes kunnen uitzonderlijk tot 100 km vliegen en de vrouwtjes tot 20 km (EPPO Global Database).  

Vrouwtjesvlinders lokken mannetjes met seksferomonen, geurstoffen die specifiek zijn voor de soort. Na de bevruchting zetten ze ca. 100-300 eitjes in twee keer af, de meeste eitjes op of vlak bij de boom waar de vlinders zijn uitgevlogen. Dit doen ze op de dunnere takken van de eiken. Daarna vliegen ze verder weg om de resterende eitjes af te zetten. Na het afzetten van de resterende eitjes sterft het vrouwtje.  

Eipakketjes vind je van laag tot hoog en in alle windrichtingen terug, maar vooral aan de noordkant van de boom. De eitjes overwinteren en kunnen meer dan 20 graden vorst verdragen. De jonge rupsen ontwikkelen zich in het eitje en overleven de winter dankzij een soort ‘antivries’. 

Herkenning


Zowel de rups, de nesten, de vlinder als het typische schadebeeld in de eik kunnen verward worden met die van andere soorten vlinders. 

De volgende tabel beschrijft de voornaamste kenmerken van de eikenprocessierups en vergelijkt deze met gelijkaardige soorten. De nummers bij de soorten verwijzen naar de tabel met foto’s verder in de tekst. 

Periode Kenmerken Niet te verwarren met
Eieren Augustus–maart ± 2 mm, wit of grijs, taai
In pakketjes met 200–250 eitjes
Meestal op dunnere takken in de kroon
Rupsen April–juni 1ste stadium (april) oranje
Vanaf 2de stadium (april) grijs tot bruin, zwarte kop en lengtestreep, lange witte haren
Sterk sociaal gedrag: nesten en processies in de boom
Ringelrups (2): grijsblauw, witte middenstreep, bruine haren
Bastaardsatijnvlinder (3): dubbele oranje lengtestreep, lange bruine haren, witte borsteltjes
Plakker (4): haren met blauwe en rode puntjes aan basis
Wapendrager (5): licht behaard, geel/zwart, geen spinsels
Dennenprocessierups (6): oranje-bruin, lange witte haren, sociaal gedrag met processies, ook op de grond
Nesten Juni–zomer Vanaf 4de stadium (juni).
Grijs, later bruin, met witte spinseldraden
Blijven meerdere jaren hangen
Rupsen zitten overdag in het nest
Bevatten afgestoten huidjes en poppen
Ringelrups (2): eerder in het jaar, ook op bovenste takken, rupsen zitten op het nest
Spinselmotten (7): spinsels vaak heel uitgebreid, fragiel, nooit op eik
Poppen Juni–juli In de nesten
Roodbruin, in een spinselcocon
Vlinders Juli–augustus Spanwijdte 3 tot 3,5 cm
Voorvleugels grijsbruin/geel, variabele zwarte dwarslijnen, kleine kommavormige middenstip
Achtervleugels wit met donkere rand
Vliegen ’s nachts
Habitat Eiken, bij voorkeur zomereiken
Bomen met zonbeschenen stammen en onderste takken: laanbomen, alleenstaande bomen in parken
Dennenprocessierups (6): op naaldbomen
Ook op eiken: tientallen soorten, waaronder kleine en grote wintervlinder, voorjaarsuilen, bladrollers, bladwesplarven, …
Vraatschade April–juni Bomen systematisch geheel of gedeeltelijk kaalgevreten → kale plekken in de kruin
Bladeren tot aan de nerf aangevreten
Andere soorten: vraat minder stelselmatig, minder ernstig, blad niet tot op de nerf aangevreten
  1. Eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea) 

2. Ringelrups (Malacosoma neustria

3. Bastaardsatijnvlinder (Euproctis chrysorrhoea

4. Plakker (Lymantria dispar) 

5. Wapendrager (Phalera bucephala

6. Dennenprocessierups (Thaumetopoea pityocampa) 

7. Spinselmotten (Yponomeutidae) 

Waardplanten


Elke soort rups heeft zijn typische waardplant of -planten waar hij zich mee voedt. De eikenprocessierups vertoont bij ons een duidelijke voorkeur voor de zomereik (Quercus robur), maar komt ook algemeen voor op de wintereik (Quercus petraea) en de Hongaarse eik (Quercus frainetto). Andere Europese eikensoorten en de Amerikaanse eik (Quercus rubra) worden ook gekoloniseerd. Opvallend is dat de gekweekte variëteiten van de zomereik, de piramidale eik (Quercus robur ‘Fastigiata’) en de zuileik (Quercus robur ‘Fastigiata Koster’), minder last hebben van de eikenprocessierups dan de zomereik zelf. Uit onderzoek blijkt dat de meeste eikenprocessierupsen gevonden worden in eiken hoger dan 6 meter en lager dan 24 meter (Batenburg 2022). 

 

In onze gematigde streken verkiezen ze bomen die veel zon krijgen, zoals laanbomen, bomen in dreven in een open landschap of langs bosranden. Bomen in dichtere eikenbossen worden daarentegen zelden gekoloniseerd.

Natuurlijke vijanden


Verschillende vogels jagen op eikenprocessierupsen, vooral kool- en pimpelmezen, die ze aan hun jongen aanbieden. Die eten vooral de eerste twee larvenstadia van de rups. Mezen zijn opportunisten; ze zijn niet kieskeurig, maar focussen zich vooral op prooien die talrijk aanwezig zijn. In jaren met veel eikenprocessierupsen kunnen ze dus een belangrijke predator zijn voor de eikenprocessierups.

Grote vleermuissoorten als de grootoorvleermuis, de rosse vleermuis en de laatvlieger jagen op de vlinders.

Een beperkt aantal soorten insecten jaagt of parasiteert op de eikenprocessierups. Vooral de sluipvliegen Carcelia iliaca en Pales processioneae spelen een belangrijke rol. Deze soorten leggen hun eitjes in de rupsen, waardoor die niet uitgroeien tot vlinders, maar tot voedsel dienen voor nieuwe sluipvliegen. Vooral in grotere nesten kan het aandeel van parasieten aanzienlijk zijn – tot zelfs 90% van de rupsen in een nest kan geparasiteerd zijn. Ook sluipwespen van het geslacht Pimpla parasiteren op de processierupsen. Tot slot zijn er sluipwespen zoals Anastatus bifasciatus die niet de rupsen, maar de eitjes van de eikenprocessierups parasiteren.

Ook kevers eten eikenprocessierupsen. Enkele soorten kleinere kevers leven in de nesten zelf. De grote poppenrover (Calosoma sycophanta), een roofkever, is gespecialiseerd in harige rupsen zoals de eikenprocessierups. Het is echter in België en Nederland een zeer zeldzame soort en de natuurlijke populatie is onvoldoende stabiel om een impact te hebben.

In hoofdstuk 5 ‘Indirecte maatregelen gericht op natuurlijke plaagonderdrukking’ ontdek je enkele maatregelen om deze natuurlijke vijanden aan te trekken.