Risicoanalyse en -zonering


Processierupsen hebben niet op elke locatie en elk jaar evenveel impact. Om de mogelijke impact op de gezondheid van mens en dier zo goed mogelijk in te schatten, kan je best vooraf een risicoanalyse uitvoeren. Zo kan je het beheer van de plaag ruimtelijk en in de tijd differentiëren, en dat heeft talrijke voordelen; het beperkt de negatieve impact van bestrijdingsmiddelen en beheermethoden op de omgeving, is financieel voordelig, en kan een positieve impact hebben op de lokale biodiversiteit.

Deze risicoanalyse maakt aan de hand van drie factoren een inschatting voor risicovolle plaatsen in het beheergebied:

  • De intensiteit van de aanwezigheid van mensen en dieren;
  • De plaaggevoeligheid van de omgeving, vooral omwille van de aanwezigheid van (zomer)eiken;
  • De verwachte plaagdruk.

Elk van deze factoren draagt op zich bij aan de kans op overlast, maar pas met een combinatie van de drie kunnen we een goede inschatting van het risico maken. De eerste twee factoren kan je vooraf bepalen, en deze stappen hoeven niet elk jaar opnieuw te gebeuren. De verwachte plaagdruk is een factor die je jaarlijks opnieuw zal moeten evalueren. Een vierde factor die je in overweging moet nemen bij de keuze van de mogelijke beheermaatregelen is de aanwezigheid van beschermde habitats en soorten.

Gezamenlijk bieden bovenstaande factoren handvaten om te komen tot een actief gebiedsgebonden uitvoeringsplan.

Aanwezigheid van mensen en dieren


De intensiteit van de menselijke aanwezigheid bepaalt in belangrijke mate de potentiële overlast door de processierups – voornamelijk gezondheidsklachten. Concentreer je beheermaatregelen dus vooral op locaties die intensiever worden gebruikt door mensen en dieren. In afgelegen gebieden is het zelden nodig om maatregelen te nemen.

In deze analyse, die aangepast is van de ‘Nederlandse Leidraad Eikenprocessierups’ aan de Belgische situatie, wordt voor zes types locaties (woningen, bedrijven, openbare voorzieningen, recreatie, wegen en routes en de aanwezigheid van dieren) de mate van aanwezigheid ingeschat als ‘intensief’, ‘matig intensief’ of ‘extensief’. Bij intensieve aanwezigheid geldt een hoog risico op blootstelling aan de eikenprocessierups als deze aanwezig is, bij matig intensieve aanwezigheid een matig risico en bij extensieve aanwezigheid een laag risico.

Voorzie bij het afbakenen van risicozones een buffer van minstens 10 meter rondom de intensief gebruikte zones.
Bij evenementen focus je vooral op evenementen die plaatsvinden in de periode met de grootste overlast (van eind mei tot en met het najaar) en in een omgeving waar rupsen zouden kunnen voorkomen. Besef dat, als de nesten niet werden verwijderd, het risico van de besmetting met de brandharen nog jaren blijft bestaan.

Copyright Rik van der Linden

Voor dieren is er een belangrijk risico bij het gebruik van hooi uit locaties waar rupsen voorkomen. Bij het hooien houd je best 10 meter afstand van gekoloniseerde bomen.
Plaatselijk kunnen andere criteria voor risicolocaties worden onderscheiden, naar inzicht van de beherende organisatie.

De onderverdeling van locaties op basis van de mate waarin deze bezocht worden, noemen we risicozonering. Dit kan je eenmalig doen, maar wordt idealiter bij de jaarlijkse voorbereiding van de reguliere planning nagekeken en aangevuld: zijn er nieuwe (wandel)wegen bijgekomen, nieuwe evenementen gepland, bijkomende recreatieterreinen, zi jn er bomen gekapt of aangeplant, …
Gebruik hierbij bij voorkeur een digitale kaart (GIS-kaart). Je kan grotendeels gebruikmaken van bestaande regionale kaartlagen. Op gemeentelijk niveau kan je daarbij nog extra elementen toevoegen, zoals evenementenlocaties, carpoolplaatsen, lokale wandel-, fiets- en ruiterpaden e.d.

Plaaggevoeligheid van de omgeving


De tweede belangrijke factor bij de bepaling van de risicozones is de gevoeligheid van de omgeving voor plagen van processierupsen. Voor de eikenprocessierups wordt dit voornamelijk bepaald door het aandeel van waardbomen, eiken (Quercus) en dan vooral de zomereik (Quercus robur), ten opzichte van andere bomen in het bomenbestand.

Deze risicoanalyse geldt voornamelijk voor eiken in stedelijk groen (lanen, straatbomen, plantsoenen, parken, …), landschappelijk groen (dreven) en bosranden. In een bosomgeving hebben de bomen in de bosrand de grootste kans op aantasting, die in het midden van het bos veel minder. Voor eiken in een bos geldt daarom een matige plaaggevoeligheid.

Deze analyse is gebaseerd op de Nederlandse ‘Leidraad Beheersing Eikenprocessierups’, maar in tegenstelling tot deze stellen wij een risicoanalyse voor met slechts twee niveaus.

Het aanduiden van dit type plaaggevoelige zones kan je eenmalig doen, om deze bij de jaarlijkse voorbereiding van het beheerseizoen na te kijken en aan te vullen. Werk liefst met bomenbestanden op wijk- of laanniveau, zodat individuele bomen herkenbaar zijn en bij inspectie aangemerkt kunnen worden als ze eikenprocessierupsen bevatten.

Risicozonering en prioritering


De combinatie van de intensiteit van (menselijke) aanwezigheid en de plaaggevoeligheid van de omgeving geeft als resultaat de impact die een bepaalde locatie kan ondervinden bij een hoge plaagdruk.

In zones met een intensieve of matig intensieve aanwezigheid van mensen en/of dieren én die door de aanwezigheid van veel zomereiken sterk plaaggevoelig zijn, verwachten we een hoge impact, en krijgen dus prioriteit bij de behandeling. Anderzijds verwachten we in zones waarin weinig mensen komen en waar nauwelijks eiken voorkomen, weinig of geen problemen.

Met de volgende tabel kan je aan de hand van deze twee factoren, drie categorieën van potentiële impact en prioriteiten bepalen. Die gebruiken we verder in de beslissingsmatrix voor de te nemen acties.

Let wel dat de uiteindelijke impact ook sterk bepaald wordt door de verwachte plaagdruk, die jaarlijks verschilt en die pas in de zomer van het jaar voordien kan ingeschat worden.

Zoals voordien aangehaald, kan het aanduiden van de zones met hoge, gematigde en lage impact/prioriteit eenmalig gebeuren, om deze bij de jaarlijkse voorbereiding van het beheerseizoen na te kijken en aan te vullen.

Verwachte plaagdruk


Deze paragraaf beschrijft de derde factor van de risicoanalyse: de verwachte plaagdruk.

De plaagdruk van processierupsen komt gewoonlijk in golven, waarbij enkele piekjaren gevolgd worden door jaren van afnemende en lage plaagdruk. Bij de inschatting van de verwachte plaagdruk voor het volgende jaar kijk je bij voorkeur naar de trend van de laatste 2 tot 4 jaar. Als die trend dalend is, dan is de kans hoog dat de plaagdruk het volgende jaar verder zal dalen, of hooguit licht gaat stijgen. Is de trend de laatste jaren stijgend, dan is de kans eerder groot dat de plaagdruk in hetzelfde tempo of zelfs sneller zal toenemen. Op basis van deze vuistregel kan je de verwachtingen voor het volgende jaar bijstellen.

De plaagdruk monitoren is arbeidsintensief. Via de provinciale nieuwsbrieven, waar die beschikbaar zijn, kom je te weten wat de verwachte plaagdruk zal zijn. Je moet deze monitoring dus niet per definitie zelf uitvoeren.

Deze inschatting van plaagdruk steunt op een analyse van:

  • Het aantal en de grootte van de nesten in het voorgaande jaar, of het aandeel aangetaste eiken. Het gemiddelde aantal nesten per boom is daarbij een betere maat dan het aantal gekoloniseerde bomen.
  • Het aantal vlinders gevonden in feromoonvallen (zie 7.2.1 ‘Feromoonvallen’) of in lichtvallen (zie 7.2.2 ‘Lichtvallen’) in het voorgaande jaar.

Als je zelf deze monitoring wil uitvoeren, neem je idealiter de situatie op in meerdere bomen in een omgeving, bijvoorbeeld enkele bomen in een laan met eikenbomen of een buurt met veel eikenbomen. De kaart met gevoelige zones (zie hoofdstuk 3.2.2 ‘Plaaggevoeligheid van de omgeving’) kan helpen bij de keuze van de te monitoren bomen.

Hoe groter het nest, hoe meer rupsen hierin aanwezig zijn. In hoofdstuk 7.1 ‘Monitoring nesten’ leggen we uit hoe je best te werk gaat voor deze monitoring en hoe je de nestgrootte mee kan nemen bij het bepalen van de plaagdruk.

Vooral op langere termijn geven data over de aanwezigheid en locatie van nesten en van gevangen vlinders een beeld van de evolutie van de plaagdruk, en kan je inschatten of er sprake is van een neergaande, opgaande of stabiele trend.

Beperkingen omwille van de impact op de biodiversiteit


Een factor die niet van belang is bij de risicoanalyse, maar wel bepalend is voor welke beheermaatregelen mogelijk zijn op een bepaalde locatie, is de aanwezigheid van habitats voor andere (vlinder)soorten die mogelijk geïmpacteerd zouden worden.

Je mag geen biociden gebruiken bij de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, of als de eiken in een Natura-2000 gebied staan. Ook in VEN- en IVON-gebieden mag je geen bestrijdingsmiddelen gebruiken, tenzij ontheffing is toegestaan. Als je bestrijdingsmiddelen gebruikt in de buurt van een beschermde zone, houd dan een bufferzone van 250 meter aan. Daarnaast moet de beheerder zorgvuldig omgaan met de middelen, omdat ook niet-wettelijk beschermde vlindersoorten van grote waarde zijn voor de ecosystemen in en rond de eik.

Voor natuurgebieden die niet onder Natura 2000 vallen, kunnen bepaalde soorten vlinders en andere insecten als doelsoorten zijn opgenomen in specifieke beheerplannen. Ook daar houd je liefst rekening mee.

Bos op de Kölliger Fells

Daarnaast mag je ook geen biociden gebruiken op terreinen voor openbare diensten, in waterwingebieden en binnen een zone van 6 meter langs waterlopen. Om dit in de praktijk te brengen, kan je best vooraf op een digitale kaart (GIS-kaart) de zones afbakenen waar je bepaalde maatregelen niet mag gebruiken.