Pimpelmees inspecteert nestkast
| |

Het nieuwe rupsenseizoen 2024 is gestart!

Bedenkingen bij het nieuwe rupsenseizoen, meer camerawerk voor de mezen en een volgende stap in het bermenonderzoek

De eerste eikenprocessierupsen zijn gespot, het rupsenseizoen 2024 is daarmee van start gegaan. De verwachtingen zijn getemperd: alle voorspellingen wijzen op een zeer kalm rupsenjaar. Het lage aantal rupsen is natuurlijk een positief punt voor de volksgezondheid, maar heeft voor het project ook een paar minder gewenste gevolgen.

In de praktijk zien we dat, met de lage aantallen eikenprocessierupsen van de laatste jaren, ook het aantal predatoren dat op de rups gespecialiseerd is – sluipvliegen, sluipwespen, de grote poppenrover – jaar na jaar terugloopt. Meestal wordt dit gevolgd door dieptepunt en daarna een paar jaren van toenemende plaagdruk, zoals we bij de start van het project in 2020-2022 zagen. Deze predator-prooirelatie wordt in de biologie beschreven in het Lotka-Volterramodel.

Dat de populatie van de eikenprocessierupsen inderdaad terug gaat pieken is dus zeer waarschijnlijk. Wanneer dat zal gebeuren is nog even af te wachten, maar we kunnen er maar beter op voorbereid zijn.

Voor ons project heeft het beperkte aantal rupsen nogal wat praktische gevolgen. De grote poppenrovers in het labo in Limburg worden stilaan wakker en verwachten verse rupsen als ontbijt. Eén kever kan per dag wel tien eikenprocessierupsen aan, en we verwachten dat meerdere tientallen dieren de winter overleefd hebben. Dat is een probleem waar Luc Crevecoeur en Toon Willems van het Provinciaal Natuurcentrum Limburg zich mee geconfronteerd zien. Ook het mezenonderzoek is afhankelijk van de aanwezigheid van rupsen – zie hieronder. En tenslotte moeten we voor het onderzoek naar de sluipvliegen en sluipwespen zowel de rupsen als de vliegen en -wespen nodig, en ook die waren vorig jaar al opvallend minder aanwezig.

De mezenproef – meer camerawerk voor de mezen

Het onderzoek naar de predatie op eikenprocessierupsen door kool- en pimpelmezen gaat nu zijn vierde en laatste seizoen in. We rekenen er op dat de mezen, net als in de voorbije jaren, de nestkasten op onze proeflocaties gaan blijven gebruiken. We weten ondertussen hoe we deze natuurlijke predatoren van de rupsen kunnen aanlokken.

Zoals in onze vorige nieuwsbrief gemeld, waren eikenprocessierupsen in 2023 echter schaars en kozen de mezenouders voor de in grotere aantallen aanwezige onbehaarde rupsen, zoals de groene rupsjes van de wintervlinder.

Dit jaar wilden we dus verder inzetten op nestcamera’s – gespecialiseerde wildcamera’s die vooraf in de nestkasten worden geïnstalleerd die met zo weinig mogelijk verstoring kunnen uitgelezen worden. We hoopten daarmee aan te kunnen tonen welk voedsel de mezenouders hun jongen aanbieden. Doch omdat er zo weinig eikenprocessierupsen voorradig zijn, hebben we dit experiment voor dit jaar in de koelkast gezet. Hopelijk zijn er volgend jaar toch iets meer rupsen te vinden.

Lees hier alles over de opzet van het mezenonderzoek

Het sluipvliegenonderzoek – een nieuw spoor

Sluipvliegen en sluipwespen toonden zich tot hiertoe onze meest betrouwbare partners in de strijd tegen processierupsplagen. Gemiddeld twee op drie rupsen in onze proeflocaties worden geparasiteerd en worden dus nooit vlinders. Wat nog niet helemaal duidelijk is, hoe we die partners het best in de watten kunnen leggen. Naast rupsen om hun eieren te leggen, hebben volwassen sluipvliegen en -wespen behoefte aan beschutting, vocht en voedsel, vooral in de vorm van nectar. Voor al die behoeften moeten ze terecht kunnen in de bermen rond de eikenbomen.

Dit jaar zetten we dus verder in op het zoeken naar verbanden tussen de plantensoorten die in onze bermen voorkomen, en de aanwezigheid van sluipvliegen in die bermen. De gegevens van de voorbije jaren worden verder geanalyseerd, en ook dit jaar gaan we verder op het terrein plantensoorten inventariseren, rupsennesten – voor zover aanwezig – verzamelen en laten uitkweken in het labo.

Omdat 2024 ook voor de het bermenonderzoek het laatste onderzoeksjaar is, willen we echter inzetten op een extra spoor. We verwachten dat sluipvliegen en -wespen die bloemen bezoeken daarvan de sporen dragen, in de vorm van stuifmeelpollen op hun monddelen. Door de sluipvliegen te vangen en te verzamelen kunnen we via DNA-sequencing achterhalen welke pollen ze dragen en dus welke plantensoorten ze bezocht hebben. Die analysetechniek is gebaseerd op zogenaamde genetische markers – genen of DNA-sequenties met een bekende locatie op de chromosomen van de plant, die onder meer kunnen gebruikt worden om individuen of in dit geval soorten te identificeren.

Daarbuiten zijn we ook op zoek naar een onbekende tussengastheer van één van de parasitaire vliegen, Pales processionae. Deze komt als volwassen vlieg uit de rupsennesten tevoorschijn in de nazomer, op het moment dat er geen eikenprocessierupsen meer zijn. Om de winter te overleven moet ze vervolgens op zoek naar een gastheer om haar eitjes in te leggen, en we weten nog niet welke rups ze daarvoor verkiest. Om te weten te komen hoe de levenscyclus van onze sluipvliegen precies in elkaar zit, willen we dus vrouwelijke vliegen met DNA-sequencing onderzoeken naar sporen van die tussengastheer.

Om dat onderzoek allemaal mogelijk te maken, kan je het team de volgende maanden mogelijk op het terrein aantreffen met de meest banale wetenschappelijk instrumenten – vlindernetjes en vliegenvalletjes – om materiaal te verzamelen voor één van de meest geavanceerde analysetechnieken – DNA-sequencing. Benieuwd naar de resultaten? Wij ook!

Lees hier meer over de opzet van het bermenonderzoek

Vertel het verder